Darifenacine: de stand van zaken drie jaar na introductie
Uitgegeven: 19-08-2009
![]() | Dr. J.P.F.A. Heesakkers Uroloog Universitair Medisch Centrum St. Radboud, Nijmegen |
|
Darifenacine is in 2006 in Nederland geintroduceerd onder de naam Emselex®. Darifenacine is al geruime tijd bekend als middel wat uitgebreid is getest. Het is een middel wat selectief is voor de M3 muscarine receptor. Vandaar de merknaam. Selectiviteit voor de M3 receptor betekent dat het middel de voorkeur heeft voor de M3 receptor en niet voor andere muscarine receptoren. Er zijn 5 muscarine receptoren, waarvan de M2 en de M3 receptoren voor de mictiecyclus de belangrijkste zijn. De M3 receptor het meest belangrijk om de gladde spiercel te laten contraheren. Blokkade van M3 receptoren is derhalve het meest logische om in te zetten bij OAB met name bij urodynamisch bewezen detrusor overactiviteit. Nu is de werking van een anticholinergicum op een M3 receptor een voorwaarde om via dit mechanisme de werking van de gladde spiercel van de blaas te remmen. Dit is het motorische verhaal. Het is ondertussen ook aangetoond dat M3 receptoren zich in het urotheel en het suburotheel bevinden. Omdat deze blaaslagen met name een sensorische functie hebben zouden de muscarinereceptoren ook bij sensorische processen betrokken zijn en een signaalfunctie hebben. Dan zou aandrangsgevoel in de blaas niet perse hoeven te volgen op een ongewilde blaascontractie maar kan aandrang op een andere manier ontstaan en daardoor een motorische reactie uitlokken. De motoriek volgt op het aandrangs gevoel of urgency en niet andersom. Omdat binnen het Overactieve Blaassyndroom urgency of pathologische aandrang centraal staat, moet de werking van anticholinergica wellicht dan ook meer op het sensorische vlak gezocht worden. Het ontstaan van urgency kan verschillende oorzaken hebben o.a.: microbewegingen van de blaas (Coolsaet 1993), partiele denervatie (Steers 2003), prikkeling door urotheel mediatoren of centrale verhoogde gevoeligheid (Michel 2009). Voor de acceptatie van een anticholinergicum is het belangrijk dat er een gunstige verhouding tussen werking en bijwerkingen is. Sommige bijwerkingen zijn lastig andere zijn ook nog gevaarlijk. Dit geldt met name voor somnolentie, vermoeidheid en wazig zien. Daarom staat op de bijsluiter van anticholinergica dat deelname aan het verkeer wordt afgeraden indien je last hebt van bovengenoemde bijwerkingen. Er is veel onderzoek gedaan naar het effect van darifenacine op de cerebrale en cognitieve functies speciaal bij ouderen die extra last hebben van somnolentie en vermoeidheid (Staskin 2005). Dit komt doordat de M1 muscarine receptoren, die zich met name in de hersenen bevinden, geblokkeerd worden. In een vergelijkende studie met oxybutinine werd het effect gemeten op het midden lange termijn geheugen. Gekeken werd in hoeverre patiënten van 60 jaar en ouder, namen bij gezichten konden plaatsen 3 weken nadat ze de combinatie hadden geleerd. Uit deze studie bleek dat darifenacine geen effect op het midden lange termijngeheugen had. Oxybutinine daarentegen gaf een reactie die te vergelijken is met 10 jaar extra hersenveroudering (Kay 2006). Ook Nichols toonde in 2006 aan dat darifenacine geen effect op de cognitieve functies had een jongere populatie. Dit zou betekenen dat darifenacine een aantrekkelijk anticholinergicum zou zijn bij met name ouderen. Na introductie zijn nu ook langer termijn studies gepubliceerd met darifenacine. Zinner et al ( Int J Clin Pract 2008) keken naar de Patiënt’s Perception of Bladder Condition (PPBC), patient tevredenheid en mictiedagboekjes in een groep van 497 patiënten die afhaakten bij een ander anticholinergicum. 85% Van de groep was wel tevreden met darifenacine. De mediane PPBC score ging van ‘OAB geeft bij mij matige tot ernstige problemen’ naar ÓAB geeft mij milde problemen’ Het klinische effect was vergelijkbaar met het effect van de eerdere antiocholinergica. De belagrijkste bijwerkigne waren droge mond en obstipatie. Sufheid en vermoeidheid speelden geen rol, hoofdpijn werd in 3.6% gemeld. Hill et al (Curr Med Res Opin 2007) keken na twee jaar naar het effect van darifenacine bij 214 patienten: het aantal incontinente episodes nam met gemiddeld 11 per week af en er werd 1,2 keer minder per dag geplast. 44% van de patienten had meer dan 90% reductie van het aantal keren urineverlies per week. Dwyer et al (Neurourol Urodyn 2008) keken naar de kwaliteit van leven in een groep patiënten die 2 jaar darifenacine gebruikten. Van 303 van de 716 patiënten die doorgingen met darifenacine na een initiele kortere studie waren gegevens na twee jaar beschikbaar. Meer dan 50% had een verbetering in zeven van de negen domeinen van de King’s Health Questionnaire. Ongeveer 2/3 was ‘tevreden’ tot ‘zeer tevreden’ met darifenacine. Deze studies tonen dat darifenacine tot die generatie anticholinergica hoort, waarvan de werking goed is en de bijwerkingen acceptabel, zodat veel patiënten tevreden zijn met het effect op hun overactieve blaas. Ook op langere termijn. |

